Digitaliseren om de mazen van de geestelijke gezondheidszorgnetwerken te dichten

Nele Stinckens


Voormalig Vlaams minister voor Welzijn, Volksgezondheid en Gezin Jo Vandeurzen startte zijn legislatuur met een ambitieuze hervorming van de eerste lijn in Vlaanderen, waarbij de persoon met een zorg- en ondersteuningsnood centraal wordt gesteld. Het sterk uitbreidende en overlappende veld van gezondheidszorg en welzijn blijkt namelijk te gefragmenteerd en de burger kan er amper zijn weg in vinden, zeker wanneer de zorgvraag complex wordt.

In zijn beleidsvisietekst die Vandeurzen presenteerde op de eerstelijnsconferentie (februari 2017) benadrukte hij het belang van een sterke interprofessionele en ontkokerde, d.w.z. beter op elkaar afgestemde, samenwerking van de zorgaanbieders in de eerste lijn. Want er is wetenschappelijke evidentie dat dit de kwaliteit en continuïteit van zorg kan verbeteren.

Veel elementen uit zijn visietekst zijn inmiddels in de praktijk gebracht: zorg- en hulpverleners, welzijnswerkers en lokale besturen hebben zich verenigd in 60 eerstelijnszones en psychologen maken hier - verplicht - deel van uit. Bedoeling is dat zij advies en kortdurende psychologische hulp bieden en een brugfunctie vervullen tussen de eerste lijn en de gespecialiseerde geestelijke gezondheidszorg.


Twee jaar later is het idee van een sectoroverschrijdend en ontschot zorgaanbod doorgetrokken naar de gehele geestelijke gezondheidszorg. De Vlaamse Regering lanceerde vorig jaar het nieuwe Decreet betreffende de organisatie en ondersteuning van het geestelijke gezondheidszorgaanbod. Het denken vanuit voorzieningen moet daarbij plaatsmaken voor netwerkdenken, waarbij het zorgaanbod geherorganiseerd wordt in geïntegreerde netwerken zo dicht mogelijk in de natuurlijke omgeving van de gebruiker (De Cuyper & Van Audenhove, 2019).


De concrete vormgeving en inhoudelijke invulling van deze geestelijke gezondheidsnetwerken zijn nog in volle ontwikkeling. Maar om de samenwerking en communicatie tussen de verschillende zorgactoren vlot te laten verlopen, zal het digitaal uitwisselen van gegevens een belangrijk hulpmiddel zijn. Anders dreigt het delen van expertise te verzanden in ineffectieve vergaderingen en riskeert het uitwisselen van informatie een log en tijdrovend proces te worden (Cools, 2019).


Wil men daarenboven de ambitie van inclusieve, participatieve GGZ realiseren, dan moeten ook de zorggebruikers en hun ondersteunend netwerk toegang hebben tot dit geïntegreerd dossier.


Bij de ontwikkeling van QIT 3.0 hebben we geanticipeerd op een vlotte en veilige samenwerking tussen zorgactoren en zorggebruikers. Cliënten en hun ondersteunend netwerk hebben via een beveiligd account toegang tot (bepaalde delen van) hun cliëntdossier. Hulpverleners die samen zorgdragen voor een cliënt, kunnen op een veilige en gebruiksvriendelijke manier het dossier delen en overdragen aan elkaar, uiteraard met medeweten van de cliënt. Samenwerking, continuïteit en transparantie in het zorgaanbod worden dankzij ons digitaal platform gefaciliteerd.


Cools, B. (2019). De draden en de mazen van geestelijke gezondheidsnetwerken. Tijdschrift Klinische Psychologie, 49(4), 290-300.


De Cuyper, K. & Van Audenhove, C. (2019). Het nieuwe decreet geestelijke gezondheid: gevolgen voor de praktijk en organisatie van de geestelijke gezondheidszorg. Tijdschrift Klinische Psychologie, 49(4), 273-289.


Franssen, C. & Sleurs, E. (2019). Verslag over het ontwerp van decreet betreffende de organisatie van de eerstelijnszorg, de regionale zorgplatformen en de ondersteuning van de eerstelijnszorgaanbieders. http://docs.vlaamsparlement.be/pfile?id=1472473