Waarom men in Nederland niet alleen ROMt, maar ook GROMt en BROMt

Nele Stinckens & Dave Smits


De markt van de geestelijke gezondheidszorg in Nederland is de afgelopen tien jaar vooral gekenmerkt door maakbaarheid en meetbaarheid, waarbij alle uitgaven worden verantwoord op basis van accurate prijs-kwaliteitinformatie. In deze context is het ROM (Routine Outcome Monitoring) grootschalig uitgerold en de afgelopen jaren zelfs verplicht geworden (Hafkenscheid, 2018).


Nederland is doorgaans een koploper wat nieuwe trends en evoluties betreft. Dit geldt ook voor ROM en benchmarking. De positie van volger biedt Vlaanderen de mogelijkheid om met enige afstand de praktijk van het rommen te bekijken en, waar nodig, lessen te trekken en bij te sturen.


Dit blijkt nodig, want in Nederland wordt er niet enkel veel ‘geromd’, maar ook veel gegromd en gebromd. Er leeft veel ongenoegen over de manier waarop men van hogerhand verplicht wordt om systematische outcome-metingen uit te voeren en deze beschikbaar te stellen aan de Stichting Benchmark Nederland. Hafkenscheid en van Os werpen zich in Nederland op als pleitbezorgers van een alternatieve, klinische relevante manier van monitoring. Zij formuleerden vijf voorwaarden waaraan een deugdelijke ROM volgens hen hoort te voldoen (Hafkenscheid & Van os, 2014). Deze voorwaarden vormen de fundamenten waarop QIT online werd geënt.


Niet alleen uitkomst peilen


We maken doelbewust geen gewag van een ROM-instrument omdat we niet enkel routinematig outcome-aspecten peilen, maar tevens cruciale proces- en klimaataspecten. Meer dan willen weten of een behandeling (al dan niet) werkt, willen hulpverleners inzicht verwerven in waarom hun aanpak werkt of niet. Bovendien geeft procesfeedback meer concrete aangrijpingspunten aan hulpverleners om de behandeling bij te sturen. Recente meta-analyses tonen aan dat het gebruik van procesfeedback een additioneel positief effect heeft – naast het gewone feedbackeffect – op het therapieresultaat (Shimokawa et al., 2010).


Georiënteerd op unieke cliënten en therapeuten


Om de complexiteit van de klinische realiteit zo goed mogelijk te vatten, combineren we bovendien kwantitatieve en kwalitatieve instrumenten en monitoren we vanuit verschillende perspectieven. Hiermee sluiten we aan bij het patiëntgeoriënteerde onderzoeksparadigma (Fishman, 2005) dat tot doel heeft om op een holistische manier na te gaan hoe psychotherapeutische behandelingen in de dagelijkse klinische realiteit vorm krijgen en welke factoren behulpzaam dan wel hinderlijk zijn. Dit paradigma richt zich op unieke patiënten en hulpverleners binnen hun specifieke klinische context.

Het huidige systeem van benchmarking daarentegen vertrekt van het traditionele onderzoeksmodel dat zich richt op het gemiddeld functioneren van een grote steekproef patiënten die zo veel mogelijk geüniformeerd worden. Een dergelijk model is verdedigbaar in een lab-situatie waarbij de contextvariabelen kunnen gecontroleerd worden, maar tast de externe validiteit aan wanneer het als vanzelfsprekend wordt overgedragen naar de alledaagse klinische realiteit. Een treffend voorbeeld hiervan is de vaststelling dat slechts een minderheid van patiënten (21%) symptoomvermindering als een belangrijke verandering rapporteert, terwijl in traditioneel therapie-onderzoek deze variabele systematisch als kernconcept naar voren wordt geschoven om het behandelresultaat te evalueren (Geys, 2013).


Verlies van therapeutisch potentieel


Door het rommen te koppelen aan een grofmazige vorm van benchmarken, gaat het intrinsiek therapeutisch potentieel verloren en blijven kansen tot zinvol klinisch onderzoek en verantwoorde beleidsaansturing onbenut. Het haastig, ‘top down’ implementeren van ROM dreigt zodoende te verworden tot een ‘doos van Pandora’ die, eens geopend, onheil en rampspoed brengt. Gelukkig eindigt de Griekse mythe niet geheel tragisch: Pandora kan nog snel het deksel dichtklappen waardoor ze één ding weet te redden: de hoop. Ik hoop dat het werken met systematische cliëntfeedback in Vlaanderen een vaste plek kan verwerven, als een natuurlijk ingrediënt in het primaire proces tussen cliënt en therapeut. En wie weet kunnen onze noorderburen dan bij ons komen gluren? Misschien herontdekken ze de waarde van het feedbackgericht werken: een methodiek die dient om de afstemming tussen cliënt en hulpverlener te optimaliseren en hun co-verantwoordelijkheid te stimuleren.






Fishman, D.B. (2005). Editor’s introduction to PCSP – From single case to database: A new method for enhancing psychotherapy practice. Pragmatic case-studies in Psychotherapy, 1 (1). http://pcsp.libraries.rutgers.edu

Geys, K. (2013). Veranderingsgebeurtenissen in psychotherapie. Een inhoudsanalyse aan de hand van de Change Questionnaire. Leuven: Katholieke Universiteit Leuven.

Shimokawa, K., Lambert, M.J., & Smart, D.W. (2010). Enhancing Treatment Outcome of Patients at Risk of Treatment Failure: Meta-Analytic and Mega-Analytic Review of Psychotherapy Quality Assurance System. Journal of Consulting and Clinical Psychology, 78, 298-311.


Stinckens, N. & Smits, D. (2014). Hoe te voorkomen dat ROM een ‘doos van Pandora’ wordt: reactive op artikel ‘Naar een deugdelijke ROM’ van Hafkenscheid & van Os. Magazine voor GGZ en Verslavingszorg.


Stinckens, N., Smits, D., Rober, P., Claes, L. (Red.). (2012). Vinger aan de pols in psychotherapie: Monitoring als therapeutische methodiek. Leuven: Acco.