Papier passé?

Mogelijkheden en uitdagingen bij de overschakeling van papieren naar elektronisch patiëntendossier.


Nele Stinckens


Na een lange en moeizame strijd van 20 jaar werden klinisch psychologen en orthopedagogen eindelijk erkend als een volwaardig en vooral autonoom gezondheidszorgberoep. Op 10 juli 2016 keurde de kamer onder luid applaus de wet op de gezondheidszorgberoepen goed. Een ongetwijfeld positief gevolg is een verdere doorgedreven professionalisering van de geestelijke gezondheidszorg en een betere, meer bevoorrechte positie van deze beroepen in de maatschappij. Maar deze autonomie kent ook een prijs: men is vanaf nu gebonden aan de wet betreffende de rechten van de patiënt (2002), hetgeen o.a. impliceert dat men verplicht is een zorgvuldig opgesteld en veilig bewaard dossier aan te leggen.


Door de ministers van gezondheidszorg werd in 2013 afgesproken om de gezondheidszorg e-proof te maken. Het delen van gegevens, het vereenvoudigen van de administratie, het elektronisch voorschrijven van geneesmiddelen en het overschakelen van een papieren naar een elektronisch patiëntendossier werden als ambities naar voren geschoven. Computers hebben al enige tijd een vaste plaats in de dokterskabinetten en ook psychologen werkzaam in grotere centra of ziekenhuizen zijn vertrouwd met een EPD. Maar in de ambulante solo- en groepspraktijken is het EPD nog niet ten volle ingeburgerd; veel psychologen blijven trouw aan de papieren variant. Dit heeft onder meer te maken met het feit dat er tot op heden geen raamwerk voorhanden is dat bepaalt aan welke inhoudelijke, technische en vormelijke criteria het patiëntendossier van een klinisch psycholoog moet voldoen. Minister van Volksgezondheid De Block wil wel dat elektronische dossiers in de toekomst de norm worden om de samenwerking in geestelijke gezondheidsnetwerken te bevorderen en het inzagerecht van cliënten te vergemakkelijken. Maar omwille van de eigenheid van de klinische praktijk is eenvoudig knip-en plakwerk van een medisch naar een psychologisch dossier ontoereikend.

In 2018 waarschuwden Vranken e.a. in het Tijdschrift Klinische Psychologie voor een gedwongen of ondoordachte implementatie van het EPD. Hoewel zij de grote toegevoegde waarde ervan voor de klinische praktijk onderkennen, wijzen zij ook op een aantal uitdagingen:


  • Het werkveld van klinisch psychologen is heel divers. Dit vertaalt zich ongetwijfeld in de concrete invulling die men aan het patiëntendossier wil geven en hoe men ermee wil werken. De achterliggende software moet inspelen op deze diversiteit en voldoende maatwerk mogelijk maken. Een concreet voorbeeld hiervan is het therapeutische werk met kinderen en jongeren. Het EPD moet zodanig zijn opgebouwd dat het de patiëntenrechten van minderjarigen niet schendt. Wilsbekwame minderjarigen hebben recht op privacy en oefenen hun rechten met betrekking tot het patiëntendossier exclusief zelf uit. Maar zij kunnen niet zomaar informatie verkrijgen over de inhoud van eventuele oudergesprekken, aangezien deze informatie beschouwd kan worden als informatie met betrekking tot derden. De leden van het cliëntsysteem hebben best via een eigen, beveiligd account toegang tot bepaalde delen van het cliëntdossier, opdat de rechten van alle betrokkenen gewaarborgd zijn.

  • Klinisch psychologen beschikken momenteel nog niet over een zogenaamd eHealth-certificaat waarmee zij gerechtigd toegang hebben tot gezondheidsgegevens. Multidisciplinaire samenwerking en gegevensdeling met andere zorgverstrekkers botsen hierdoor al snel op hun limieten. Omgekeerd bevatten de gedeelde EPD’s in ziekenhuizen vaak niet de nodige grendels om het beroep van klinisch psycholoog deontologisch verantwoord uit te oefenen, rekening houdend met de grenzen van het gedeelde beroepsgeheim. Een goed EPD – ook al wordt het vaak gedeeld door verschillende zorgverstrekkers – zou technisch zo moeten worden uitgerust dat niet alles zomaar direct en onmiddellijk voor elke zorgverstrekker toegankelijk is.

  • In een EPD kan vaak geen onderscheid worden gemaakt tussen notities (die onder het inzagerecht van de cliënt vallen) en persoonlijke aantekeningen. Deze laatste moeten voldoen aan een aantal voorwaarden (Veys, 2008): 1) het gaat om werkhypothesen, geheugensteuntjes en kladjes die nodig voor persoonlijk gebruik, maar niet essentieel zijn om de cliënt adequaat te behandelen, 2) ze worden afzonderlijk opgeborgen, gescheiden van de rest van het patiëntendossier, 3) ze zijn voor niemand anders toegankelijk, ook niet voor directe collega’s.

  • Klinisch psychologen zijn doorgaans geen techneuten. Software-applicaties dienen daarom voldoende intuïtief en gebruiksvriendelijk te zijn en maximaal rekening te houden met de gebruikservaringen van hulpverleners en cliënten. Ook dient er voldoende ondersteuning te zijn ingeval van technische vragen en problemen.


Met QIT willen we de overstap van papieren naar elektronische dossiers stimuleren door maximaal rekening te houden de specifieke noden en uitdagingen van de sector. De gebruiksvriendelijke features komen tegemoet aan de hierboven vermelde verzuchtingen.


Veys, M.N. (2008). De Wet patiëntenrechten in de psychiatrie. Gent: Larcier.

Vranken, E., Verhaegen, D., Excelmans, E., Cobbaert, J. & Van Daele, T. (2018). Elke klinisch psycholoog een elektronisch patiëntendossier: een stap vooruit of een noodzakelijk kwaad? Tijdschrift Klinische Psychologie, 48(1), 52-61