The client as the heart and the relationship as the soul of therapy

Claude Missiaen


Volgens Tallman en Bohart (2006) is de zelfsturing van de cliënt ('self-agency') het meest centrale vehikel tot verandering in therapie. In plaats van ons eenzijdig te richten op de vraag of therapie werkt, zouden we ons beter de vraag stellen of de cliënt werkt, zo bepleiten deze onderzoekers. Door cliënten op een actieve manier bij de therapie te betrekken en hen expliciet een stem te geven, wordt de kans op een succesvol verloop significant vergroot.

Een therapieproces verloopt immers zelden gepolijst. Er zit steeds een zekere ruis op het zoeken en aftasten. Kleine en grote spanningen kenmerken het therapeutisch contact. In feite horen deze 'rimpels' in het therapeutisch proces met open armen ontvangen te worden, omdat ze belangrijke leermomenten inhouden voor zowel cliënt als therapeut en de ingangspoort vormen om elkaar ten volle te ontmoeten.

In deze blog beschrijf ik een casus waarin de feedback van de cliënt – zoals vaak - een opstap vormt om via metacommunicatieve feedback de therapeutische alliantie te bespreken en bij te sturen.


Griet (niet haar echte naam) is een vrouw van midden dertig. Ze worstelt met het verwerken van een traumatisch gebeuren uit haar jeugd toen ze op zoek ging naar vriendschap maar door een oudere man werd aangerand. Ze kiest ervoor om een mannelijke therapeut op te zoeken in de hoop iets van deze vroege kwetsuur te kunnen herstellen. Ze slaagt erin om met mij een goeie werkalliantie op te bouwen, ze durft me te vertrouwen, ze ervaart mijn nabijheid doorgaans als een beveiligend ingrediënt van deze therapie. Soms blijken de demonen uit het verleden toch op te doemen, al durft ze dat niet rechtstreeks uit te spreken, ze vertrouwt deze man toch? Er is toch geen reden om achterdochtig of op haar hoede te zijn? Ze begrijpt het niet, het verwart haar en ze besluit er maar niets over te zeggen, het zou de vertrouwensrelatie kunnen schaden. Ze wil mij ook niet kwetsen, het is voor haar duidelijk dat haar therapeut zich inspant om er echt te zijn voor haar, zonder haar te veroordelen. Ze laat dat ook duidelijk blijken in de antwoorden die ze geeft op de vragenlijsten uit de online feedback tool QIT online. Ze duidt telkens heel nauwgezet aan hoe de voorbije sessie haar geholpen heeft (bijv. ‘ik kon mijn schaamte overwinnen om moeilijke gebeurtenissen uit mijn leven te vertellen”) en hoe ze de therapeutische relatie ervaart (bijv. “ik ervaar de therapeut als heel accepterend en dat geeft me hoop dat ik een stap verder kan zetten”).


Na een tiental sessies gebeurt er iets bijzonder tijdens het afrondend moment van de sessie. Zoals steeds maak ik Griet erop attent dat er nog een tiental minuten van het uur resteren. Zoals steeds begint ze dan te kijken/voelen wat ze nog wou zeggen of vragen tijdens de overblijvende tijd. Nu komt er echter een andere lading opzetten: “wat denkt deze kerel eigenlijk, dat hij telkens kan bepalen hoe het er hier aan toegaat? Ik vind het vernederend dat hij en alleen hij de grenzen van onze afspraken mag en kan bewaken”. Ze voelt een woede opkomen die ze nog niet eerder in deze ruimte gevoeld heeft. Het verwart haar en ze besluit er niets over te zeggen.


Tijdens de dagen na de sessie blijft deze lading aan haar knagen, het voelde immers zo krachtig. Bij het beantwoorden van de sessiebeoordelingslijst in de feedback tool besluit ze haar moed bij elkaar te rapen en toch iets te schrijven in de rubriek ‘Wat vond je storend? Wat heb je gemist?’. Dit lukt haar beter in de veiligheid van haar eigen ruimte, zonder de aandachtige ogen van haar therapeut in zijn gesprekskamer.


Ze schrijft in voorzichtige termen wat ze ervaren heeft op het einde van de vorige sessie. Ze verwoordt haar onrust bij het niet kunnen bepalen van waar de grenzen liggen in dit contact. Ze voegt eraan toe dat ze zich hierover schaamt en dat ze niet wil dat het de fijne vertrouwensrelatie zou schaden.


Tijdens de volgende sessie kom ik terug op haar opmerkingen uit de feedback tool. Ik uit mijn dankbaarheid dat Griet het gedurfd heeft om dit aan te kaarten, ik was me daar zelf niet van bewust. Ik zeg dat ik begrijp dat ze met deze feedback net de hoop heeft om het contact beter te maken, niet om het vrijblijvend te bekritiseren. Griet beaamt dit en voelt zich opgelucht. Het opent een vruchtbaar gesprek rond het omgaan met grenzen binnen het therapeutisch kader, waar de therapeut verantwoordelijk is. Ze kan uitdrukken hoezeer dit ‘bepaald worden door de ander’ inhakt op de diepe pijn die hangt rond de aanranding uit haar jeugd. Samen bekijken we hoe ze binnen het therapeutisch kader zelf wat meer de regie in handen kan nemen, bijvoorbeeld door mij te onderbreken als ik een spoor op wil dat zij niet wil, door haar wantrouwen meer te durven uitspreken, door even stil te blijven en niet te praten, als dat voor haar beter voelt. De grens van de tijdsbewaking blijft de verantwoordelijkheid van de therapeut.


Tallman, K. & Bohart, A.C. (2006). The client as common factor: Clients as self-healers. In M.A. Hubble, B.L. Duncan & S.D. Miller (Eds.), The heart and soul of change: What works in therapy (rev. ed., pp. 91-132). Washington, DC: American Psychological Assocation.